Keelamandelen – groot kind

Inleiding

Deze pagina geeft uitleg over verwijdering van keel­amandelen (tonsil­len) in het BovenIJ Ziekenhuis als je zwaarder bent dan 25 kg en nog geen 18 jaar oud bent. De meeste vragen zullen er door beantwoord worden. Is dit niet het geval, dan kunt u ons persoonlijk of telefonisch (020-6 346 212) benaderen.

Wat zijn keelamandelen?

leder mens heeft twee keelamandelen. Daarnaast heb je nog tongamandelen (achter op je tong) en één neusamandel. Amandelen zijn lymfeklieren en kunnen allerlei door mond en neus bin­nen­komende ziektekiemen (bac­teriën en virussen) bestrijden en heb­ben zodoende, als zij goed functioneren, een nuttige afweerfunctie. Wij onderscheiden:

  • Keelamandelen

De keel­amandelen zitten tus­sen het zachte gehemelte en de plooien van de keel, naast de tong achter in de mond.

  • Tongamandel

De tongamandel zit achter op de tong en geeft zelden klachten.

  • Neusamandel

De neusamandel zit aan de neusachterwand, achter het zachte gehemelte (huig) en verdwijnt vrijwel altijd in de puberteit.

Wanneer keelamandelen verwijderen?

Keelamandelen / tonsillen / amandelenSoms worden de ziektekiemen onvoldoende vernietigd en gaan deze zich ophopen. De keelamandelen zijn dan, soms zelfs voortdurend, ontstoken (angina) en veelal opgezwollen. Vaak zijn er ook klieren in de hals voelbaar. De keelaman­delen zijn nu zelf de oorzaak van ontstekingen geworden en vervullen geen nuttige afweerfunctie meer.

De gevolgen van zieke keelamandelen kunnen zijn: regelmatig terugkerende perioden van keelpijn en/of slikpijn, koorts, algehele malaise, vieze smaak in de mond, moeheid, snurken en een slechte adem.
Een doorgemaakt keelabces is altijd een reden voor operatie.

Samenvattend kan gesteld worden, dat, wanneer de keelamandelen meer kwaad dan goed doen, de KNO-arts vaak voorstelt de ziekmakende keelaman­delen eruit te halen.

Hulp bij uw keuze wel of niet keelamandelen verwijderen

Een consultkaart vervangt niet de expertise van de arts of de noodzakelijke dialoog tussen patiënt en arts. De consultkaarten zijn expliciet bedoeld als hulpmiddel voor het gesprek tussen arts en patiënt om samen beslissen in het zorgproces te bevorderen. Patiënt en/of ouders van de patiënt kunnen de consultkaart bovendien mee naar huis nemen om alle opties na het consult nog eens rustig door te nemen.

De voorbereidingen direct na het polibezoek

Als de KNO-arts de indicatie voor een operatie samen met jou heeft gesteld, maakt de polikliniekmedewerker een combinatieafspraak voor het Patiënten Service Bureau (PSB – route 25) en de anesthesioloog (route 32). Je wordt gevraagd om voor je naar huis gaat een (digitale) vragenlijst voor de anesthesioloog in te vullen. Je komt daarna op de afgesproken dag terug voor het gesprek met een verpleegkundige van het Patiënten Service Bureau en de anesthesioloog. Op deze manier worden alle benodigde gegevens die van belang zijn voor de operatie verzameld.

Aan de hand van een vragenlijst en lichamelijk onderzoek beoordeelt de anesthesioloog of er veilig een narcose kan worden ondergaan. Mogelijk is aanvullend onderzoek (bloedonderzoek, röntgenfoto van de borstkas, elektrocardiogram (hartfilmpje) of longfunctietest) nodig. Eventuele vragen over de narcose en medicijnen kun je aan de anesthesioloog stellen.

Wanneer de anesthesioloog heeft beoordeeld dat de narcose veilig kan worden ondergaan, zal het Patiënten Service Bureau contact met je opnemen om een operatiedatum af te spreken.

Voorbereiding door de ouders/verzorgers thuis

Een operatie is voor iedereen een ingrijpende gebeurtenis, voor het kind nog het meest. Een kind verwerkt een opname in een ziekenhuis beter wanneer het vooraf weet wat er gaat gebeuren. Daarom is het belangrijk dat uw kind weet waar­om het naar het ziekenhuis moet, wat daar gaat gebeuren en wat de gevolgen zijn. Vertel wat ze zullen zien, voelen, rui­ken en zeg in ieder geval dat ze mogen huilen. De informatie die u geeft moet eerlijk zijn.

Angst kan niet volledig worden weggenomen en dat hoeft en kan ook niet. Een kind wil meestal nauwkeurig ho­­ren wat er allemaal gaat gebeuren. Als u uw kind voldoende informatie geeft, dan geeft u het ook de mogelijk­heid om over zijn ang­sten en onzekerheden te praten.

Om u als ouder te helpen, hebben wij een viertal tips:

  • Maak gebruik van boekjes die bij de bibliotheek en boekhandel verkrijgbaar zijn;
  • Koop speelmateriaal over het ziekenhuis bij de speelgoedwinkel;
  • Neem contact op met de Landelijke Vereniging Kind en Ziekenhuis, die tot doel heeft: het bevorderen van het welzijn van het kind vóór, tijdens en na een ziekenhuisopname (078-6 146 361); zij beschikt ook over ver­schillende soor­ten informatiemateriaal;
  • Maak een kennismakingsbezoek aan de Kinderafdeling. U kunt hiervoor telefonisch (020-6 346 117) een af­spraak ma­ken met een pedagogisch medewerker of kinderverpleegkundige. Zij zal u en uw kind de gang van zaken rond de operatie en de Kinderafdeling vertellen.

Belangrijk

  • Als je rookt, moet je ten minste één dag voor de operatie stoppen met roken.
  • Je moet de KNO-arts en anesthesist melden als er in je familie aangeboren bloedstollingstoornissen voorkomen.
  • Tien dagen voorafgaande aan de operatie mag je geen ASPIRINE-bevattende medicijnen, zoals Aspro, Sinaspril, Ascal en APC en bloedverdunners, zoals Sintrom en Marcoumar gebruiken. Deze medicijnen hebben invloed op de bloedstolling.
  • Op de dag van de operatie dien je nuchter te zijn. Dit betekent, dat je vanaf middernacht voor de operatie niets meer mag eten of drinken.

Je neemt mee naar het ziekenhuis

  • Nachtgoed, kamerjas en pantoffels en eventueel een favoriete knuffel
  • Kostbare zaken, zoals sieraden en dergelijke kun je beter thuis laten
  • Gebruik je medicijnen, dan moet je deze op de afdeling afgeven (voldoende voor de gehele opnameperiode)
  • Het afsprakenkaartje

Ziekenhuisverblijf voor de operatie

Nuchter melden

Je moet je, op de door de opname-afdeling afgesproken tijd, nuchter op de Kinderafdeling (begane grond rechts van hoofdingang) melden. Nuchter betekent: géén eten en géén drinken meer nadat je de avond ervoor naar bed bent gegaan.

Verpleegkundige opname

Een kinderverpleegkundige maakt je wegwijs op de afdeling, wijst je een bed, heeft nog enkele vragen, de lichaams­temperatuur wordt gemeten en con­troleert of je nuchter bent. Je krijgt een naambandje voor om je pols en een operatiejasje om aan te trek­ken. Je krijgt indien afgesproken: premedicatie en eventuele pijnstilling.

Pedagogisch medewerker

De pedagogisch medewerker (begeleidster) zal een fotoboek over de narcose en/of een narcosekapje laten zien.

Operatie

Je gaat vlak voor de operatie met één van je ouders (verzorger) en de pedagogisch mede­werker naar de voorbereidingskamer bij de operatiekamer. Een zwangere moeder kan beter niet mee in de operatie­kamer vanwege het narcosegas.

De anesthesist bespreekt met je hoe je het veiligst onder narcose kan worden gebracht:

  • je moet in een kapje ademen waarmee je onder algehele narcose wordt gebracht;
  • als je slaapt krijg je een infuus.

Met het infuus word je verder onder narcose ge­bracht. Je moet beademd worden door een beademingsbuisje dat in de luchtpijp wordt gebracht. Je vader of moeder mag bij je blijven totdat je onder narcose bent gebracht. Daarna gaat je vader of moeder terug naar de Kinderafdeling of de wachtkamer bij de operatiekamer.

Aan het einde van de operatie krijg je een zetpil tegen de pijn die na de operatie ont­staat.

Keelamandelen verwijderen heet in het Latijn tonsillectomie (‘het uitsnijden van de amandel’). Bij grote kinderen worden de amandelen stapsgewijs losgemaakt, ook wel pellen genoemd. Dit gebeurt omdat de keel­amandelen vaster zitten aan de onderliggende weefsellaag. Dit kost meer tijd, zodat de operatie niet meer op de ‘kleine kindermanier’ kan.

De operatie duurt ongeveer 20 minuten.

Ziekenhuisverblijf na de operatie

Uitslaapkamer

Direct na de operatie word je wakker op de uitslaapkamer, die vlak bij de operatiekamer is. Eén ouder/verzorger kan hier­naar toe komen. Als je weer goed wakker bent, word je met je ouder/verzorger van de uitslaapkamer naar de Kinderafdeling gebracht. Daar gaan de controles, zoals pols tellen en lichaamstemperatuur meten door.

De kinderafdeling

Terug op de afdeling zorgt de kinderverpleegkundige voor controles, zoals pols tellen en lichaamstemperatuur meten. Ouders kunnen vanaf dat moment gedurende de gehele opnameperiode bij hun zoon of dochter blijven.

Bloed

Meestal komt er de eerste 3-6 uren na de operatie wat vers (helder rood) bloed uit de keel. Ook kan donker bloed worden gebraakt; dit is oud bloed dat tijdens de operatie in de maag terecht is gekomen. De kinderverpleegkundige weet welke hoe­veelheden nog normaal zijn.

Bedrust

Als je je goed voelt, hoef je op de operatiedag geen bedrust te houden.

Infuus

Het infuus wordt een paar uur na de operatie verwijderd, als je geplast en gedronken hebt.

Pijn

Uiteraard heb je na de operatie keelpijn, maar ook (uitstralende) pijn in de oren (je oor zit immers vlak bij de wond). Veel­vuldig drinken van ijswater (hoe pijnlijk ook) vermindert uiteindelijk toch de pijn. De pijn is maximaal aanwezig op de ope­ratiedag en de tweede dag na de operatie. Volgens een vast schema krijg je pijnstillers. Zie ook onze voorlichtingspagina over pijnstilling na een operatie.

Eten en drinken

Tijdens het ziekenhuisverblijf mag je niet alles eten en drinken.

Je mag de dag van de operatie alleen maar ijswater/limonade drinken. Je moet regelmatig kleine slokjes drinken, zodat je de keel ‘in beweging’ houdt. Ook het kauwen van kauwgom geeft deze beweging. Dit houdt de wonden in je keel goed schoon en voorkomt een nabloeding. Drink liever ieder kwar­tier een klein slokje dan ieder uur één grote slok.

Douchen

Het nemen van een korte lauwe douche is toegestaan. Je mag je haren vanaf 24 uur na de operatie weer wassen.

Slapen

Als je blijft overnachten (bij een 24-uurs opname) mag één ouder/verzorger bij je op de kamer blijven slapen.

Ontslag

Bij een dagverplegingverblijf op de kinderafdeling is het afhankelijk van hoe laat je ‘geholpen’ wordt, wanneer je weer naar huis toe mag. Dit wordt wel vooraf met je besproken.
Als je een nacht in het ziekenhuis moest blijven mag je de dag na de operatie om 9.00 uur naar huis.

Nazorg thuis

Dieet

Vanaf de eerste dag na de operatie mag je: waterijs, koude vloeibare voeding (yoghurt en vla), ijswater, koude limonade, appelsap en gepureerde voeding.

De dagen hierna mag je het dieet langzaam uitbreiden tot het normale.

Pijn

Voor de keelpijn krijg je van het ziekenhuis een advies mee voor het gebruik van de paracetamol en dicolfenac.

Ter bestrijding van de keelpijn kun je bij drogist of apotheek paracetamol kopen, die je een uur voor de maaltijd moet in­nemen. Als je geen keelpijn meer hebt (meestal na 10 dagen), moet je geen pijnmedicatie meer gebrui­ken.

Wond

De twee wonden in de mond genezen met een korst die langzaam in 7-10 dagen (uiterlijk 14 dagen) vanzelf oplost of losraakt (een geringe bloeding mag daarbij optreden). Een korst die nat wordt (speeksel), is grijs-wit, zodat je in de keel aan weerszijden een grijs-witte korst ziet. Deze kan ook vies ruiken (rottende lucht); dit is normaal. Er bestaat ook vaak een metaalachtige smaak.

Koorts

Bij temperatuur boven de 38,5ºC moet je contact opnemen met het ziekenhuis (binnen kantoortijden de polikliniek KNO: 020-6 346 212; daar­buiten de spoedeisende hulp: 020-6 346 200.

Hoesten/schrapen

Door te krachtig hoesten of schrapen kun je een nabloeding krijgen, omdat dan de wondkorst te snel kan los­raken.

Sporten

De eerste 3 weken na de operatie mag je niet sporten/gymmen.

Smaak

De eerste dagen na de operatie ervaren de meeste patiënten een veranderde, bittere of metaalachtige smaak. Bij acht procent van de aan hun keelamandelen geopereerde patiënten is die smaakverandering na een half jaar nog aanwezig. De smaakverandering duurt zelden langer dan een jaar.

Pijnlijke tong

Om goed de keelamandel te kunnen zien bij de operatie wordt de tong opzij gedrukt. Dat geeft soms een beursgevoel enkele weken tot maanden na de operatie.

Controle

Na ontslag uit het ziekenhuis word je zes weken na de operatie ter controle op de polikliniek van de KNO-arts terugver­wacht. De afspraak kun je op de polikliniek KNO maken vlak voor je naar huis gaat of je kunt er (de volgende dag) voor bellen (tel. 020-6 346 212).

Complicaties

Complicaties komen bij het verwijderen van keelamandelen gelukkig zelden voor. Toch is het belangrijk hier wel iets over te zeggen.

Nabloeding

Bij iedere operatie, ook bij het operatief verwijderen van keelamandelen, is er sprake van enig risico. In dit geval is het voornaamste risico een nabloeding.

Een normale bloedstolling tijdens en na de operatie is van groot belang, daarom mag je voorafgaand aan deze ingreep geen bloedverdunnende middelen gebruiken. Deze middelen zorgen ervoor dat het bloed minder goed of in het geheel niet stolt. Eveneens moet je vermelden dat er in je familie aangeboren bloedstollingstoornissen voorkomen.

De kans op een nabloeding is de eerste 6 uur na de ingreep het grootst. Na ontslag is het risico van een nabloeding zeer klein.

Bij een nabloeding is de korst te vroeg losgelaten (bijvoorbeeld door schrapen) en is een bloedvaatje weer gaan bloeden. Dit bloed is altijd helder rood. Er ont­staat dan soms een slecht nieuw stolsel, dat voorkomt dat het bloe­dende bloedvaatje zich kan terugtrekken en afsluiten, zodat er afwisselend wel en geen bloeding optreedt. Je moet daar altijd melding van doen. Het is vaak voldoende om (soms onder plaatselijke verdoving) het niet goed afsluitende stolsel te verwijderen, zo­dat een nieuw en beter stolsel kan ontstaan.

Soms, in minder dan 1,5% (meting in 2012) van de amandeloperaties, is het nodig om de nabloe­ding onder narcose te behandelen. Bij een nabloeding thuis word je verzocht contact op te nemen met het ziekenhuis (binnen kantooruren de polikli­niek KNO: 020-6 346 212; buiten kantooruren de spoedeisende hulp: 020-6 346 200).

Herstel

In de eerste week na de operatie mag je bij goed weer naar buiten. Je moet wel veel rusten en vroeg naar bed. Na deze week mag je weer naar school (of naar je werk) gaan. Vaak blijft je nog geruime tijd af en toe keelpijn hebben.

WGBO (Wet Geneeskundige BehandelingsOvereenkomst)

De wet schrijft voor dat een arts voor een behandeling of een onderzoek de toestemming van de ouders nodig heeft. Daaruit vloeit voort dat ouders recht hebben op alle informatie die nodig is om een weloverwogen beslissing te kunnen nemen.

Kinderen hebben eveneens recht op informatie, los van het gegeven hoe oud ze zijn. Naar gelang de leeftijd van het kind of naarmate een kind meer heeft meegemaakt, doen ouders en hulpverleners er goed aan ook naar de mening van het kind zelf te luisteren (tekst Stichting Kind en Ziekenhuis).

Voor kinderen van 12 tot 16 jaar geldt dat een arts voor een behandeling of onderzoek toestemming nodig heeft van het kind zelf en van de ouders.